Naam:
Bodemonderzoek
Beschrijving:
Een bodemonderzoek heeft als doel vast te stellen of op een bepaalde locatie een bodemverontreiniging aanwezig is.
Bodemonderzoek kan om verschillende redenen worden uitgevoerd. Meestal als
gevolg van een verplichting die voortvloeit uit de wet- of regelgeving. De
aanleiding om een bodemonderzoek uit te laten voeren zijn onder andere de
aanvraag om een bouw- of milieuvergunning, een bestemmingsplanwijziging of
als er sprake is van een verdenking van verontreiniging. Ook bij
grondtransacties is het vaak raadzaam een bodemonderzoek te laten uitvoeren.
Dit in verband met het eventueel regelen van aansprakelijkheden voor
(toekomstige) kosten als gevolg van bodemverontreiniging.
Verkennend bodemonderzoek:
Het doel van een verkennend bodemonderzoek is, al dan niet bij een vermoeden, het vaststellen of er op een locatie verontreiniging aanwezig is. Het bodemonderzoek moet aan bepaalde eisen voldoen. Het bodemonderzoek moet bestaan uit twee delen: het historisch onderzoek en de kwaliteitsbepaling van de grond en het grondwater. Er bestaan daarvoor de volgende normen: NVN5725 en de NEN5740.
Het doel van een verkennend bodemonderzoek is, al dan niet bij een vermoeden, het vaststellen of er op een locatie verontreiniging aanwezig is. Het bodemonderzoek moet aan bepaalde eisen voldoen. Het bodemonderzoek moet bestaan uit twee delen: het historisch onderzoek en de kwaliteitsbepaling van de grond en het grondwater. Er bestaan daarvoor de volgende normen: NVN5725 en de NEN5740.
Om de mate van bodemverontreiniging te kunnen toetsen, heeft de overheid
normen opgesteld: de streef- en interventiewaarden.
De streefwaarde geeft het concentratieniveau in grond en grondwater, waarop of waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Overschrijding van deze waarden kan duiden op een verontreiniging.
De streefwaarde geeft het concentratieniveau in grond en grondwater, waarop of waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Overschrijding van deze waarden kan duiden op een verontreiniging.
De interventiewaarde geeft het concentratieniveau in grond en grondwater,
waarboven gesproken wordt van (dreigende) bodemverontreiniging in de zin van
de Wet bodembescherming. Dit wil zeggen dat er sprake is van een (dreigende)
vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens,
plant of dier.
De tussenwaarden t.b.v. nader onderzoek (de halve som van de streef- en interventiewaarden) geeft het concentratieniveau in grond en grondwater, waarboven zich een risico voor de volksgezondheid zou kunnen voordoen. Er is dan nader onderzoek nodig om de aard en omvang van de verontreiniging.
De tussenwaarden t.b.v. nader onderzoek (de halve som van de streef- en interventiewaarden) geeft het concentratieniveau in grond en grondwater, waarboven zich een risico voor de volksgezondheid zou kunnen voordoen. Er is dan nader onderzoek nodig om de aard en omvang van de verontreiniging.
Nader bodemonderzoek:
Blijkt uit het verkennend onderzoek dat er sprake is van verontreiniging in grond of grondwater, (dat wil zeggen als de concentraties de halve (streef- + interventiewaarde) overschrijden), dan moet een zogenoemd nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang van de verontreiniging te bepalen. Daarnaast moet worden bekeken of er als gevolg van een verontreiniging risico's zijn voor de volksgezondheid of de ecologie en of de verontreiniging zich verspreidt. De strategie voor het omvangbepalend onderzoek verschilt per type verontreiniging. De risicobeoordeling moet worden uitgevoerd volgens de publicatie 'Urgentie van bodemsanering; De Handleiding, uitgegeven door SDU uitgeverij, Den Haag, 1995'.
Blijkt uit het verkennend onderzoek dat er sprake is van verontreiniging in grond of grondwater, (dat wil zeggen als de concentraties de halve (streef- + interventiewaarde) overschrijden), dan moet een zogenoemd nader onderzoek worden uitgevoerd om de omvang van de verontreiniging te bepalen. Daarnaast moet worden bekeken of er als gevolg van een verontreiniging risico's zijn voor de volksgezondheid of de ecologie en of de verontreiniging zich verspreidt. De strategie voor het omvangbepalend onderzoek verschilt per type verontreiniging. De risicobeoordeling moet worden uitgevoerd volgens de publicatie 'Urgentie van bodemsanering; De Handleiding, uitgegeven door SDU uitgeverij, Den Haag, 1995'.
Saneringsonderzoek/saneringsplan:
Of en in hoeverre er sprake is van een saneringsnoodzaak, is afhankelijk van de vraag of er sprake is van risico's, een ernstige verontreiniging of een urgente sanering. Indien de verontreinigingssituatie bekend is en er sprake is van risico's voor mens en milieu of als er plannen zijn voor herinrichting van de locatie, zal er een saneringsonderzoek moeten worden ingesteld. Hierbij worden de verschillende mogelijk manieren om de verontreiniging te saneren met elkaar vergeleken en wordt er een saneringsvariant bepaald (voor kleine saneringen is het mogelijk direct een saneringsplan op te stellen). In het saneringsplan staat de precieze aanpak van de sanering beschreven. Ook wordt in het saneringsplan het einddoel beschreven.
Of en in hoeverre er sprake is van een saneringsnoodzaak, is afhankelijk van de vraag of er sprake is van risico's, een ernstige verontreiniging of een urgente sanering. Indien de verontreinigingssituatie bekend is en er sprake is van risico's voor mens en milieu of als er plannen zijn voor herinrichting van de locatie, zal er een saneringsonderzoek moeten worden ingesteld. Hierbij worden de verschillende mogelijk manieren om de verontreiniging te saneren met elkaar vergeleken en wordt er een saneringsvariant bepaald (voor kleine saneringen is het mogelijk direct een saneringsplan op te stellen). In het saneringsplan staat de precieze aanpak van de sanering beschreven. Ook wordt in het saneringsplan het einddoel beschreven.
Na het afronden van de sanering moet een evaluatieverslag worden opgesteld.
Op grond hiervan moet het bevoegd gezag besluiten of de sanering goed is
uitgevoerd en of het resultaat afdoende is.
Wet bodembescherming:
Als er sprake is van een verdenking van verontreiniging kan op basis van de Wet bodembescherming een bodemonderzoek worden geeist.
Voor gevallen van bodemverontreiniging ontstaan voor 1 januari 1987 is er sprake van een saneringsnoodzaak als er sprake is van een ernstige en urgente bodemverontreiniging.
Van een ernstige bodemverontreiniging is sprake indien voor een grondvolume van ten minste 25 m3 de gemiddelde concentratie van een verontreinigde stof de interventiewaarde overschrijdt; voor grondwater geldt dit voor een volume van 100 m3.
Van een urgente bodemverontreiniging is sprake als er daadwerkelijk humane, ecologische of verspreidingsrisico's zijn.
Voor gevallen van bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 geldt de zogenaamde 'zorgplicht voor de bodem'. Op grond van de zorgplicht is er een wettelijke verplichting tot het saneren van verontreiniging die ontstaan is bij het verrichten van bepaalde, in de wet omschreven handelingen.
Als er sprake is van een verdenking van verontreiniging kan op basis van de Wet bodembescherming een bodemonderzoek worden geeist.
Voor gevallen van bodemverontreiniging ontstaan voor 1 januari 1987 is er sprake van een saneringsnoodzaak als er sprake is van een ernstige en urgente bodemverontreiniging.
Van een ernstige bodemverontreiniging is sprake indien voor een grondvolume van ten minste 25 m3 de gemiddelde concentratie van een verontreinigde stof de interventiewaarde overschrijdt; voor grondwater geldt dit voor een volume van 100 m3.
Van een urgente bodemverontreiniging is sprake als er daadwerkelijk humane, ecologische of verspreidingsrisico's zijn.
Voor gevallen van bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 geldt de zogenaamde 'zorgplicht voor de bodem'. Op grond van de zorgplicht is er een wettelijke verplichting tot het saneren van verontreiniging die ontstaan is bij het verrichten van bepaalde, in de wet omschreven handelingen.
Wet milieubeheer:
Bedrijven hebben een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer nodig. In de milieuvergunning kan de plicht zijn opgelegd om een bodemonderzoek uit te voeren, het 'nulsituatie-onderzoek'.
Voor enkele categorieen bedrijven vervalt de vergunningplicht omdat er algemene regels zijn gesteld in een 'algemene maatregel van bestuur (AMvB)'. Ook in deze AMvB kan de plicht zijn opgelegd om een 'nulsituatie-onderzoek' uit te voeren. Dit onderzoek is bedoeld om de toestand van de bodem vast te leggen ten tijde van de vergunningverlening. Zo kan later worden vastgesteld of de vergunninghouder de bodem heeft verontreinigd. Als dat zo is, kan de overheid saneringsmaatregelen eisen.
Bedrijven hebben een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer nodig. In de milieuvergunning kan de plicht zijn opgelegd om een bodemonderzoek uit te voeren, het 'nulsituatie-onderzoek'.
Voor enkele categorieen bedrijven vervalt de vergunningplicht omdat er algemene regels zijn gesteld in een 'algemene maatregel van bestuur (AMvB)'. Ook in deze AMvB kan de plicht zijn opgelegd om een 'nulsituatie-onderzoek' uit te voeren. Dit onderzoek is bedoeld om de toestand van de bodem vast te leggen ten tijde van de vergunningverlening. Zo kan later worden vastgesteld of de vergunninghouder de bodem heeft verontreinigd. Als dat zo is, kan de overheid saneringsmaatregelen eisen.
Woningwet / Wet op de Ruimtelijke Ordening:
In de Woningwet staat dat de gemeente een bouwverordening moet vastleggen. Deze bouwverordening bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet op grond van de gemeentelijke bouwverordening in de meeste gevallen bij de aanvraag om een bouwvergunning een bodemonderzoeksrapport worden overgelegd.
Voor de gebieden in de gemeente geldt een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan geeft aan wat er wel en wat er niet gebouwd mag worden in een bepaald gebied. Verandert een 'bestemming' dan kan ook een bodemonderzoek verplicht zijn.
In de Woningwet staat dat de gemeente een bouwverordening moet vastleggen. Deze bouwverordening bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet op grond van de gemeentelijke bouwverordening in de meeste gevallen bij de aanvraag om een bouwvergunning een bodemonderzoeksrapport worden overgelegd.
Voor de gebieden in de gemeente geldt een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan geeft aan wat er wel en wat er niet gebouwd mag worden in een bepaald gebied. Verandert een 'bestemming' dan kan ook een bodemonderzoek verplicht zijn.
Voorwaarden:
De Woningwet kent drie categorieen bouwwerken: bouwvergunningsvrij, lichte bouwvergunningsplicht en reguliere bouwvergunningsplicht. In het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is aangegeven dat alleen bij de aanvraag van een reguliere bouwvergunning een recent bodemonderzoeksrapport moet worden ingediend. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een 'lichte bouwvergunning' van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen.
De Woningwet kent drie categorieen bouwwerken: bouwvergunningsvrij, lichte bouwvergunningsplicht en reguliere bouwvergunningsplicht. In het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is aangegeven dat alleen bij de aanvraag van een reguliere bouwvergunning een recent bodemonderzoeksrapport moet worden ingediend. Indien burgemeester en wethouders op andere wijze ermee bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een 'lichte bouwvergunning' van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen.
Er is geen bodemonderzoek nodig, indien:
1. Ontheffing kan worden verleend omdat een bodemonderzoeksrapport
aanwezig is van maximaal 5 jaar oud en het gebruik sindsdien niet is
gewijzigd.
2. Het een bouwwerk betreft waarin niet voortdurend of nagenoeg
voortdurend mensen zullen
verblijven.
3. Het bouwwerk de grond niet raakt of het bestaande, niet
wederrechtelijke gebruik wordt
gehandhaafd.
4. Het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van
ten hoogste 50 m2.
Kwalibo
Het bodemonderzoek moet worden uitgevoerd door een KWALIBO-erkend bureau. KWALIBO is een erkenningsregeling voor o.a. adviesbureaus. Een overzicht van erkende bedrijven kunt u vinden op http://www.bodemplus.nl/, Erkenningen Kwalibo, Publicatielijst erkende bodemintermediairs. Bodemonderzoeken die na 1 juli 2007 zijn uitgevoerd door niet-erkende adviesbureaus worden niet meer door de gemeente in behandeling genomen!
Kwalibo
Het bodemonderzoek moet worden uitgevoerd door een KWALIBO-erkend bureau. KWALIBO is een erkenningsregeling voor o.a. adviesbureaus. Een overzicht van erkende bedrijven kunt u vinden op http://www.bodemplus.nl/, Erkenningen Kwalibo, Publicatielijst erkende bodemintermediairs. Bodemonderzoeken die na 1 juli 2007 zijn uitgevoerd door niet-erkende adviesbureaus worden niet meer door de gemeente in behandeling genomen!
Structuur:
Het bodemonderzoek moet worden uitgevoerd volgens onderzoeksprotocol NEN 5740. Vóór uitvoering van het verkennend onderzoek conform NEN 5740 is het verplicht een historisch onderzoek uit te voeren conform protocol NVN 5725. Hierbij dient ook aandacht besteed te worden aan 'asbest'.
Het bodemonderzoek moet worden uitgevoerd volgens onderzoeksprotocol NEN 5740. Vóór uitvoering van het verkennend onderzoek conform NEN 5740 is het verplicht een historisch onderzoek uit te voeren conform protocol NVN 5725. Hierbij dient ook aandacht besteed te worden aan 'asbest'.
Asbest:
Verplicht is dat:
1. In het historisch onderzoek conform de NVN 5725 expliciet aandacht besteed wordt aan 'asbest in de bodem, puin- en verhardingslagen'.
2. Indien de locatie op basis van het historisch onderzoek verdacht is op de aanwezigheid van asbest in de bodem en/of puin- en verhardingslagen, dient bodemonderzoek conform NEN 5740 en O-NEN 5707 (asbest in grond) dan wel O-NEN 5897 (asbest in puin) plaats te vinden.
Verplicht is dat:
1. In het historisch onderzoek conform de NVN 5725 expliciet aandacht besteed wordt aan 'asbest in de bodem, puin- en verhardingslagen'.
2. Indien de locatie op basis van het historisch onderzoek verdacht is op de aanwezigheid van asbest in de bodem en/of puin- en verhardingslagen, dient bodemonderzoek conform NEN 5740 en O-NEN 5707 (asbest in grond) dan wel O-NEN 5897 (asbest in puin) plaats te vinden.
Indien de locatie op basis van het historisch onderzoek niet verdacht is op
de aanwezigheid van asbest in de bodem en/of puin- en verhardingslagen, kan
volstaan worden met "regulier" bodemonderzoek conform NEN 5740.
Aanvraag:
Het bodemonderzoek moet samen met de aanvraag voor een reguliere bouwvergunning worden ingeleverd bij de gemeente Rozendaal.
Het bodemonderzoek moet samen met de aanvraag voor een reguliere bouwvergunning worden ingeleverd bij de gemeente Rozendaal.
Indieningsadres
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rozendaal, Cluster Burger en Bestuurlijke Zaken, Postbus 9106, 6880 HH Velp.
Overige documenten/bescheiden
Een onderzoeksrapport, opgesteld volgens de NVN 5725 en/of NEN5740 en tekening van bouwwerk en ligging.
College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rozendaal, Cluster Burger en Bestuurlijke Zaken, Postbus 9106, 6880 HH Velp.
Overige documenten/bescheiden
Een onderzoeksrapport, opgesteld volgens de NVN 5725 en/of NEN5740 en tekening van bouwwerk en ligging.
Kosten:
De bodemonderzoeken worden uitgevoerd door een adviesbureau. De kosten van het bodemonderzoek zijn afhankelijk van de oppervlakte van de onderzoekslocatie en bedragen ongeveer 700,00 - 1.200,00 euro.
De bodemonderzoeken worden uitgevoerd door een adviesbureau. De kosten van het bodemonderzoek zijn afhankelijk van de oppervlakte van de onderzoekslocatie en bedragen ongeveer 700,00 - 1.200,00 euro.
Informatie:
Informatie kan worden ingewonnen bij de heer R. Berendsen van de Cluster BBZ,
Informatie kan worden ingewonnen bij de heer R. Berendsen van de Cluster BBZ,
telefoonnummer: 026 38 43 662.