dhr A.C.L. Adema, dhr F.R. Hoving, dhr E. Molenaar, dhr F.K.P. Lub
dhr H.P. Korstanje
mw A.H. Boerma-Van Doorne
mw W.G. Pieterse-Pook
dhr A. Elsendoorn (unitchef), dhr A. Pols (gebiedsagent)
Verslag:
Buro Service Overasselt, mw M.R.H.M. de Meijer
1. Opening
De voorzitter opent de vergadering om 19.00 uur en heet de aanwezigen van
harte welkom.
2. Presentatie van het Unitwerkplan van de unit IJsselwaarden van de Politie
Gelderland-Midden
Burgemeester Boerma heet dhr Elsendoorn en dhr Pols van harte welkom.
Dhr Elsendoorn geeft een presentatie van het unitwerplan van de unit IJsselwaarden van de politie Gelderland-Midden. Een hand-out van de presentatie is tijdens de vergadering uitgereikt.
Dhr Adema vraagt waar de accenten gelegd zouden worden, als de unit de twaalf personen die zij nu ontbeert, er in 2006 bij zou krijgen.
Dhr Lub vraagt zich af of dhr Elsendoorn het gevaar ziet dat Den Haag zal zeggen dat het beoogde aantal fte's te hoog is omdat de unit goed gepresteerd heeft ondanks de onderbezetting.
Dhr Elsendoorn antwoordt dat hij in zijn presentatie alleen de beleidsprioriteiten heeft laten zien, dus de keuzes die regionaal gemaakt zijn. Dit betreft echter slechts een deel van het totale aanbod van het werk. Als hij het werk in een breder perspectief zou plaatsen, zou hij moeten zeggen dat de politie de omgeving niet meer zo goed kan bedienen als zes jaar geleden met 30 of 40 personen meer. Ook de politie verzakelijkt en komt niet meer voor elke aanrijding of elke melding en blijft niet meer eindeloos bemiddelen maar verwijst door naar andere hulpverleners. Het is een kwestie van goed kiezen, duidelijk prioriteiten blijven stellen en interne kwaliteitsverbeteringen want in termen van effectiviteit en efficiency kan het nog iets beter.
De onderbezetting heeft te maken met de volgende drie zaken: 1) Het korps
vergrijst sterk; 2) De afgelopen jaren is het verloop sterker geweest dan was
voorspeld en ook de uitstroom is groter geweest dan verwacht; 3) Het tekort
kan niet meer zoals een paar jaar geleden in één jaar worden ingelopen omdat
de politie-opleiding drie jaar duurt. Vanaf 2007 zal de instroom weer groter
zijn, omdat dan weer grotere groepen van de opleidingsschool komen.
Als hij meer mensen ter beschikking zou hebben, zou hij geen andere accenten
leggen. Momenteel doet de politie die zaken die Rozendaal en omgeving van de
politie vraagt. Er worden de juiste prioriteiten gesteld. Met meer mensen zou
er meer in dezelfde tijd gedaan kunnen worden en zou men dieper kunnen ingaan
op de kleine dagelijkse ergernissen waar men nu niet aan toe komt.
De voorzitter dankt de heer Elzendoorn voor zijn toelichting.
Er zijn geen mededelingen en ingekomen stukken.
4. Verslag van de vergadering van 6 december 2005
Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.
5. Rondvraag
Dhr Adema vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot Presikhaaf. Omdat
er sprake zou zijn van een belangrijke meevaller bij de verkoop van gronden,
vraagt hij of dit aanleiding is om gemeenten gedeeltelijk terug te betalen.
Dhr Kwant antwoordt dat de opbrengst van de verkoop van gronden in Elden
hoger is dan verwacht. Men had verwacht hiervoor € 6 miljoen te krijgen maar
het daadwerkelijke bedrag ligt op ruim € 11 miljoen. Waar in het kader van
het herstelplan aan de gemeenten € 12 miljoen is gevraagd als
voorfinanciering, doet zich de vraag voor wat hiermee te doen. Sommige
gemeenten willen het geld graag terugbetaald zien maar anderen zijn van
mening dat het geen zin heeft om geld heen en weer te pompen zo lang
Presikhaaf in zwaar weer verkeert. De gemeente Arnhem heeft hierover
gesproken maar nog geen besluit genomen. De voorzitter van het DB Presikhaaf,
die wethouder Economische Zaken van Arnhem is, is van mening dat het geld
teruggestort zou moeten worden. Op 1 februari zal het AB hierover
spreken..
Dhr Adema begrijpt dat er sprake is van een echte meevaller. Omdat het herstelplan functioneert en werkt, zou het acceptabel zijn om het geld terug te laten vloeien naar de gemeenten. Dhr Kwant antwoordt dat Presikhaaf geen reserves heeft, terwijl deze voor een goede bedrijfsvoering wel nodig zijn om eventuele tegenvallers te kunnen opvangen. De voorzitter meent dat het verstandig is om af te wachten wat andere gemeenten doen. Op zijn voorstel zal het onderwerp in de volgende vergadering opnieuw aan de orde komen.
Niets meer aan de orde zijnde, schorst de voorzitter om 19.45 uur de
vergadering.
BLOK WELZIJN, SOCIALE ZAKEN, ONDERWIJS, CULTUUR, RECREATIE EN
SPORT
Aanwezig:
dhr P.S. Vos, dhr B. Kwant, dhr F.K.P. Lub, dhr E. Molenaar, mw E.C.T. Bisterbosch-Willart, C. van den Hurk
dhr H.P. Korstanje
mw A.H. Boerma-Van Doorne, mw W.M.J. Brouwer-Duvekot
mw W.G. Pieterse-Pook
dhr J. Wortelboer, onderwijsadviseur TMOP
Verslag:
Buro Service Overasselt, mw M.R.H.M. de Meijer
8. Heropening
De voorzitter heropent de vergadering om 19.50 uur.
9. Mededelingen / Ingekomen stukken
Er zijn geen mededelingen en ingekomen stukken.
10. Bespreking van de eerste bevindingen ten aanzien van de
onderwijshuisvesting met de extern adviseur, de heer J. Wortelboer van
TMOP
Dhr Wortelboer licht toe aan de hand van het uitgereikte plan van aanpak, dat
het goed is een onderscheid te maken tussen enerzijds de schoolbestuurlijke
taak en anderzijds de lokale overheidstaak. Welke vorm van schoolbestuurlijke
taak men ook zal kiezen - een integraal bestuur, een commissie of een
stichting - de verantwoordelijkheid die de gemeente als lokale overheid heeft
voor de lokale overheidstaken, blijft onverlet. Zo zijn er de gemeentelijke
onderwijs-achterstandsplannen, het uitvoeren van het leerlingenvervoer, het
uitoefenen van de leerplichtfunctie en sinds 1997 heeft elke gemeente de
verantwoordelijkheid gekregen voor de onderwijshuisvesting. Tot die periode
kon een schoolbestuur een aanvraag indienen bij de minister die hiervoor een
aantal spelregels had. Afhankelijk van deze spelregels en de mate waarin men
hieraan kon voldoen, werd al dan niet nieuwbouw of uitbreiding of vervangende
huisvesting toegekend. In het kader van de decentralisatie is deze taak die
in de Grondwet verankerd ligt, sinds 1997 overgeheveld naar de gemeenten.
Daarnaast is er de huisvestingssituatie van de Dorpsschool. De Dorpsschool is circa veertig jaar oud en is opgezet vanuit een honingraatmodel dat in de zeventiger jaren van de vorige eeuw een geëigend model was. Het model ging uit van onderwijskundige inzichten van dat moment maar sinds kort zijn ook allerlei nieuwe onderwijskundige situaties, als tussenschoolse opvang en remedial teaching, die ook weer nieuwe eisen stellen aan een gebouw. Sommige gemeenten vinden het van belang om gebouwen lang in stand te houden en andere gemeenten willen schoolgebouwen in stand houden voor de duur van de afschrijvingsperiode om vervolgens een nieuwe school te bouwen die dan weer voldoet aan de eisen van de tijd.
Als er dan meer zicht is op enerzijds de bouwkundige staat en anderzijds de leerlingenontwikkeling, kan men een doorkijk gaan maken naar de toekomst. Men kan dan inzicht krijgen in de vraag wat men kan verwachten aan ontwikkelingen zowel getalsmatig als bouwkundig voor de schoolsituatie.
Als vooral ook het leerlingenaantal duidelijk is, kan men besluiten tot op welk niveau de gemeente wil gaan investeren. Men kan vaststellen wat het maximum aantal leerlingen is dat eigenlijk toegelaten zou moeten worden tot het instituut. Hierbij is het een moeilijkheid dat Rozendaal één school heeft. De term leerlingenstop is herhaaldelijk ter sprake gekomen. Hoewel mensen van het ministerie hebben gezegd dat een leerlingenstop mogelijk is, heeft spreker zelf vanuit de helpdesk van hetzelfde ministerie gehoord dat dit juist niet mogelijk is. Hoe men het ook wendt of keert, een leerlingenstop op zich hoeft geen doel te zijn. Het doel is om een onderwijsvoorziening te kunnen garanderen die voldoet vanuit het aanbod dat er in de omgeving bestaat. Bij het woord 'omgeving' tekent hij aan dat men niet kan zeggen dat het bij de grenzen van Rozendaal stopt, want men kan niet zeggen dat kinderen die van buiten Rozendaal komen, geen toegang krijgen op de Dorpsschool. De wetgever heeft daar heel duidelijk een stokje voor gestoken.
Als de integrale huisvestingssituatie duidelijk is, zegt de wetgever dat er op gemeentelijk niveau nadere spelregels moeten worden gesteld die neergelegd moeten worden in een verordening. Het aardige van een verordening is dat er een aantal plafondsituaties in zit. De gemeente krijgt in de algemene uitkering een bepaald bedrag dat bedoeld is voor onderwijshuisvesting. Het is niet een verplichting om het voor onderwijshuisvesting te besteden maar het is een kwestie van beleidskeuzes die de lokale overheid maakt. Binnen de verordening kan men dan een plafond vaststellen met betrekking tot het bedrag dat de gemeente maximaal per jaar zal besteden aan onderwijs.
Het aan de raad en commissie verschafte tijdpad geeft aan dat er half of eind april meer duidelijkheid kan zijn verkregen na gesprekken te hebben gevoerd met deze en gene, na nog meer onderzoek te hebben verricht en na wat meer geobjectiveerde informatie te hebben verzameld. Afhankelijk van wat zich dan voordoet, zal er een aantal keuzemogelijkheden zijn. Een aantal modellen zal vervolgens nader uitgewerkt kunnen worden zodat de gemeenteraad rond de zomervakantie een aantal voorstellen voorgeschoteld kan krijgen. De raad zal dan nog geen definitieve keuze te hoeven maken maar heeft dan de mogelijkheid om in overleg met alle belanghebbenden de richting te bepalen.
Inspraakreacties
De voorzitter geeft de publieke tribune de gelegenheid in te spreken
Dhr Phaff zegt dat de werkgroep in tegenstelling tot hetgeen verwoord staat onder punt 3a Leerlingenaantal van de startnotitie, geen berekening heeft gemaakt maar uitsluitend heeft geteld hoeveel leerlingen er op school zitten aan de hand van het schoolboekje. Deze telling heeft geleid tot het aantal dat in het stuk van de werkgroep staat. Er is hierbij geen sprake geweest van voorspellen maar wel is er misleidende statistiek gepleegd. De werkgroep heeft bewust niet vermeld dat er altijd aanwas is van vierjarigen in groep 1, omdat men ervan uitging dat er een leerlingenstop zou worden ingesteld.
Met betrekking tot punt b Huisvesting leerlingen Dorpsschool staat er in de tweede alinea van de startnotitie vermeld dat er tot augustus 2007 dan ook geen formele noodzaak is om het leerlingenaantal te reguleren. Hij hoopt dat de crux van de opmerking zit in het woordje 'formeel'. Immers, als er geen grens wordt gesteld aan het leerlingenaantal en de natuurlijke aanwas in groep 1 verder gaat zoals die ieder jaar verder gaat, zadelt het lokale bestuur zichzelf op met een groot probleem dat zich de komende jaren zal voortzetten, namelijk een groep 1 die zo groot is dat er twee lokalen mee gevuld gaan worden. Redelijkerwijs kan men verwachten dat dit niet gerealiseerd kan worden op de huidige locatie. Hij adviseert de lokale overheid het zichzelf zodanig gerieflijk te maken dat de tijd is er om het tijdpad te doorlopen, het aantal leerlingen te maximeren op het huidige aantal en geen verdere groei toe te staan.
De huisvestingsproblematiek van de Dorpsschool is een langslepende kwestie die langzaam maar zeker heel acuut gaat worden. In augustus 2007 zal de huisvesting van het Rhedens niet meer beschikbaar zijn voor de drie groepen die er thans zitten.
De staat van onderhoud van de huidige school loopt achter. Jaarlijks stelt het rijk een bedrag van
€ 130.000,- beschikbaar voor huisvesting dat echter niet geoormerkt wordt om daadwerkelijk te bestemmen voor huisvesting. Hij vraagt welk beleid de gemeente Rozendaal voert ten aanzien van deze huisvestingsgelden, wat ermee gebeurd is en wat de visie is op de huisvesting van de Dorpsschool. De medezeggenschapsraad wil een school in voldoende staat van onderhoud op één locatie. Deze situatie is veruit te prefereren boven huisvesting op meerdere locaties. In deze dringt de medezeggenschapsraad dan ook aan op een structureel besluit op zo kort mogelijke termijn omdat augustus 2007 nadert.
a. Leerlingenaantal Dorpsschool Rozendaal
Mw Bisterbosch stelt dat het rapport een keurige procesbeschrijving is waarin
het mogelijke tijdpad wordt beschreven maar wel enige substantie mist. Al het
inhoudelijke werk moet nog plaatsvinden. Haar fractie staat enigszins
argwanend tegenover prognoses omdat de uitkomst erg afhankelijk is van wat er
is ingevoerd. De vraag is dus ook of men bij de uit te voeren prognose zal
uitgaan van standaardgegevens of andere gegevens; of men bij het aantal
woningen zal uitgaan van 634 en niet het hogere aantal; of het percentage
kinderen dat uit de kern Velp komt, bekend is; of het alleen gaat om kinderen
uit de kern Velp; of men in de prognose meeneemt dat er jaarlijks 25 woningen
in Velp bijkomen en wat voor woningen dit zijn en of dit daadwerkelijk
invloed zal hebben. Zijzelf is de mening toegedaan dat het percentage
kinderen dat uit Velp naar de Dorpsschool gaat, een grotere invloed heeft dan
de 25 woningen meer of minder. Verder is er een verschil in instroom en
uitstroom want de hogere klassen hebben te maken met een jaarlijkse instroom
van 25 leerlingen, waardoor er jaren zullen zijn dat de uitstroom groter zal
zijn dan de instroom. De BGR blijft erbij dat een prognose wellicht zinnig
kan zijn maar het blijft gokken. De BGR blijft van mening dat de school niet
moet uitkomen boven het aantal van 8 klassen van 25 leerlingen.
Dhr Van den Hurk merkt op dat men eindeloos kan blijven studeren en dan
uitkomt op vijf of tien leerlingen meer of minder. Het is de vraag hoe
relevant dit alles is want andere parameters werken veel meer door in het
feitelijke leerlingenaantal. Rosendael '74 vraagt zich derhalve af of het
zinvol is om tijd en geld te spenderen aan een prognose naar het
leerlingenaantal. Met alle onzekerheden waar men mee te maken heeft, is het
maar zeer de vraag wat er daadwerkelijk onderzocht kan worden. De benadering
van de werkgroep Rozendoorn, gewoon tellen, is in ieder geval veel
praktischer.
Het doet er niet veel meer toe of het aantal in een prognose nou uitkomt op
240, 250 of 255.
De voorzitter merkt op dat een prognose maar twee jaar geldig is. Als de raad een besluit gaat nemen over de school, ontkomt men er niet aan dat dit onderbouwd moet zijn met een prognose, ook al kan deze prognose vrij simpel zijn.
Dhr Wortelboer antwoordt dat een prognose slechts twee jaar geldig is omdat bevolkingsgegevens fluctueren. Uiteraard is het zo dat er uit een prognose komt wat men ingevoerd heeft maar het grootste aantal zaken dat ingevoerd wordt, betreft plannen die al vastgesteld zijn, bijvoorbeeld het aantal woningen dat zal worden gebouwd. Het feit dat men nu zegt dat dit niet klopt, is precies de reden waarom het juist wel van belang is om periodiek de prognoses opnieuw te laten maken. Dit is niet zozeer belangrijk om bij te stellen of om de werkelijkheid boven tafel te krijgen, maar om een actuele stand van zaken te kennen. Een prognose kost tijd en geld, maar waarschijnlijk niet meer dan € 1000,-.
De voorzitter vraagt de commissie om zich uit te spreken over een advies aan de raad over het al dan niet laten uitvoeren van een prognose.
De commissie adviseert om geen nieuwe prognose laten maken en uit te gaan van een leerlingenaantal van 250.
Burgemeester Boerma deelt mee dat het college de opdracht voor een onderzoek naar de huisvesting heeft gegeven conform het verzoek van de raad. Dhr Vos heeft uit het plan van aanpak begrepen dat er in week 4 meer duidelijkheid over gegeven zou worden. Burgemeester Boerma antwoordt dat het onderzoek loopt.
Dhr Vos vraagt of het daadwerkelijk zo is dat "Als het schoolbestuur een stop invoert, er een alternatief dient te zijn". Dhr Wortelboer antwoordt dat dit de informatie is die hij van de helpdesk van het ministerie heeft gekregen. Hij citeert uit de informatie van het ministerie: "In eerste instantie is het een taak van de gemeente om te voorzien in voldoende uitbreiding van de opvangcapaciteit en daarmee de huisvesting. De gemeente heeft immers een grondwettelijke taak om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. Als er maar één openbare school gevestigd is, en uit de instroom ook van buiten de gemeente blijkt dat de capaciteit van huisvesting onvoldoende is, dient er te worden voorzien in een uitbreiding. Het weigeren van leerlingen van buiten de gemeentegrens op de grondslag dat er sprake is van een vol-is-vol situatie, is strijdig met de vrijheid c.q. vrije toelating tot van het onderwijs. Naar mijn oordeel kan en mag de gemeente geen beperkende maatregelen nemen in die zin dat alleen leerlingen afkomstig van het postcodegebied binnen de gemeentegrenzen op de school worden toegelaten. Ingevolge de jurisprudentie op dit punt, artikel 40 Wet Primair Onderwijs, wordt duidelijk gemaakt dat het weigeren van een leerling wegens een beperkte huisvestingscapaciteit in één geval toelaatbaar werd geacht maar dit kon alleen onder de conditie en constatering "dat beide leerlingen in elk geval in staat zijn in het desbetreffende stadsdeel [Dhr Wortelboer: Lees de gemeente] een andere openbare basisschool te bezoeken" (Raad van State, 3 november 1999). Dit betekent dat, wil een gemeente leerlingen kunnen weigeren op een openbare school, er op zijn minst één alternatieve openbare basisschool voorhanden moet zijn die deze leerling dan wel kan opvangen. Het voorgaande betekent dan ook dat de gemeente een oplossing in de huisvestingssituatie dient te creëren om aldus te voorzien in voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen.
Dhr Vos vindt dit laatste een belangrijke toevoeging. Rozendaal met één openbare school lijkt hem toch wel een heel bijzondere positie in te nemen die moeilijk te vergelijken is met een deelgemeente van Amsterdam. Dhr Wortelboer antwoordt dat dit ook tegelijkertijd de beperking aangeeft. Een gemeente moet te allen tijde voorzien in voldoende onderwijshuisvesting.
Dhr Van den Hurk merkt op dat de discussie al is gevoerd met ambtenaren van het ministerie en dat daaruit een andere visie naar voren is gekomen. Het is niet zinvol de discussie opnieuw te voeren.
Dhr Kwant stelt dat er sprake is van tegenstrijdige informatie. Hij stelt voor om het ministerie met de twee tegenstrijdige meningen te confronteren want er moet definitief helderheid komen.
De voorzitter stelt voor om eerst zekerheid te verkrijgen over wat de juiste informatie op dit punt is.
Dhr Van den Hurk antwoordt niet meer tijd en niet meer zekerheid nodig te hebben. Er dienen nu besluiten te worden genomen. Dhr Vos kan zich niet voorstellen dat de situatie anders zou zijn dan de eerdere toezegging. Het zou niet redelijk zijn dat Rozendaal zou moeten voorzien in basisschoolonderwijs voor vele honderden leerlingen meer dan zijzelf binnen de gemeentegrenzen heeft. Mw Bisterbosch is het met hem eens.
Een opmerking vanaf de publieke tribune: Ik heb het idee dat alles wat niet uitkomt, terzijde wordt. geschoven. Het laten uitvoeren van een prognose: Dit komt niet helemaal uit dus dat wordt niet gedaan. Twee tegenstrijdige meningen vanuit het ministerie: Men neemt niet de moeite om te verifiëren wat waar is, want het komt niet uit. De kwestie dient zorgvuldig en zuiver aangepakt te worden.
Dhr Kwant stelt voor het ministerie om een finale uitspraak te vragen. Er zal toch iemand de gewenste helderheid moeten geven. Mw Bisterbosch sluit zich aan bij dhr Kwant. Er dient duidelijkheid te komen. Dhr Van den Hurk merkt op dat Rosendael '74 deze duidelijkheid al heeft.
De commissie adviseert de raad om de e-mail van de helpdesk van het ministerie voor te leggen aan dhr Damen van het ministerie met het verzoek hierop een definitief en afdoend antwoord te geven.
Het onderwerp is vooralsnog niet aan de orde.
De commissie adviseert positief.
De commissie adviseert positief.
Dhr Van den Hurk gaat ermee akkoord als het haalbaar is. De voorzitter meent dat alles op alles gezet moet worden om het tijdpad wel te halen omdat daarna nog slechts een jaar rest voordat de problemen acuut worden.
De voorzitter van de medezeggenschapsraad vraagt wat er de afgelopen jaren is gebeurd met de gelden die het rijk beschikbaar heeft gesteld voor de onderwijshuisvesting. De voorzitter antwoordt dat de gelden niet geoormerkt zijn. In het totaal van de uitkering uit het Gemeentefonds zit een gedeelte dat aangewend kan worden voor de huisvesting van scholen, maar het exacte bedrag staat daar niet bij aangegeven.
Dhr Schmidt meent dat het relevant zou zijn te kijken wat het juridisch gehalte is van de uitspraken die de twee vertegenwoordigers van het ministerie destijds gedaan hebben.
Dhr Kühne vraagt of er al concrete stappen zijn gezet richting Rheden of een andere gemeente om het probleem op te lossen. Burgemeester Boerma antwoordt dat er altijd regulier overleg plaatsvindt over actuele zaken. Rozendaal werkt intensief samen met het OOR. Het probleem is aan de orde geweest zonder dat er een uitgangspunt is bepaald omdat niet duidelijk was welke richting de discussie zou uitgaan.
Dhr Boon merkt met betrekking tot het al dan niet invoeren van een leerlingenstop dat het een kwestie blijft van invullen van wettelijke regelingen. Het betekent toch dat als het departement met een standpunt komt en ouders zich er niet bij neerleggen en via de bestuursrechter naar de Raad van State gaan, het daar pas definitief tot een uitspraak komt. De raad zal toch eerst zelf tot een bepaald standpunt moeten komen. De voorzitter is het met hem eens maar vooraf zullen alle opties bekend moeten zijn en verkend moeten worden. Mw Van Raalte is het met dhr Boon eens. Echter, zelfs al zou de hoogste rechter zeggen dat betrokkene recht heeft om toegelaten te worden, kan het alsnog zo zijn dat een betrokkene niet toegelaten wordt omdat er geen plaats is.
Dhr Wortelboer zou het betreuren als de raad zou besluiten de prognose naast zich neer te leggen en uit te gaan van een bepaald getal, terwijl er in Nederland sprake is van een bepaalde systematiek om zicht te krijgen op de actuele cijfers. Het document zal op drijfzand terecht komen waar het de integrale huisvestingsplanning en de reële ontwikkeling op langere termijn betreft. Men kan dan wel uitgaan van 250 leerlingen maar het zegt niets over het aantal leerlingen over vijf jaar. Het is jammer als men niet de moeite zou nemen om op de langere termijn wat meer tendensen duidelijk te krijgen.
De voorzitter vat samen dat de commissie geen behoefte blijkt te hebben aan extra informatie op dit punt. Hij sluit het onderwerp af.
10. Verslag van de vergadering van 6 december 2005
Het verslag wordt ongewijzigd onder dankzegging aan de notulist
vastgesteld.
12. Bespreking agendapunten raadsvergadering d.d. 1 februari 2006
Agendapunt 5: Voorstel inzake de Algemene Subsidieverordening 2006
Dhr Lub verklaart dat ook Rosendael '74 het voorstel ondersteunt. De fractie heeft de vorige vergadering gevraagd om een evaluatie die ook is toegezegd.
Mw Bisterbosch sluit zich namens de BGR aan bij de vorige sprekers.
Dhr Kwant stelt dat de reden van de actualisatie te maken heeft met het uittreden van de gemeente Zevenaar. Hij vraagt waarom Zevenaar dit besluit heeft genomen. Wethouder Brouwer antwoordt dat Zevenaar zich heeft aangesloten bij een gemeenschappelijke regeling met Doetinchem en omstreken.
13. Rondvraag
Dhr Kwant vraagt naar de stand van zaken omtrent het sportpark De Del.
Wethouder Mandema antwoordt dat het kort geding dat gepland stond voor 13
december, geen doorgang heeft gevonden. Dhr Schaap voegt eraan toe dat de
gemeente Arnhem en de voetbalclub in gezamenlijk overleg zouden bekijken of
zij tot een minnelijke schikking konden komen. Van een vervolg van een kort
geding is in Rozendaal niets bekend. De gemeente Arnhem heeft Rozendaal
gevraagd om een vergoeding voor de opstallen. De reactie van Rozendaal die in
overleg met de advocaat van de gemeente is opgesteld, is dat men vindt dat de
gemeente geen vergoeding voor de opstallen verschuldigd is.
14. Sluiting
Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter om 21.00 uur de
vergadering.