Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Gemeentebestuur / Raadscommissie / Notulen / Notulen 2006 / Notulen Raadscommissie d.d. 31 januari 2006

Notulen Raadscommissie d.d. 31 januari 2006

BLOK ALGEMENE ZAKEN EN FINANCIËN
 
Aanwezig:
 
Commissieleden: 
dhr A.C.L. Adema, dhr F.R. Hoving, dhr E. Molenaar, dhr F.K.P. Lub
 
Voorzitter: 
dhr H.P. Korstanje
 
Portefeuillehouders:  
mw A.H. Boerma-Van Doorne
 
Raadsgriffier: 
mw W.G. Pieterse-Pook
 
Voorts aanwezig: 
dhr A. Elsendoorn (unitchef), dhr A. Pols (gebiedsagent)
 

Verslag:  
Buro Service Overasselt, mw M.R.H.M. de Meijer


1. Opening
De voorzitter opent de vergadering om 19.00 uur en heet de aanwezigen van harte welkom.


2. Presentatie van het Unitwerkplan van de unit IJsselwaarden van de Politie Gelderland-Midden
Burgemeester Boerma heet dhr Elsendoorn en dhr Pols van harte welkom.

Dhr Elsendoorn geeft een presentatie van het unitwerplan van de unit IJsselwaarden van de politie Gelderland-Midden. Een hand-out van de presentatie is tijdens de vergadering uitgereikt.

 
Dhr Molenaar vraagt waarom de politie moeite heeft om de bemanning van het korps op peil te houden.
Dhr Adema vraagt waar de accenten gelegd zouden worden, als de unit de twaalf personen die zij nu ontbeert, er in 2006 bij zou krijgen.
Dhr Lub vraagt zich af of dhr Elsendoorn het gevaar ziet dat Den Haag zal zeggen dat het beoogde aantal fte's te hoog is omdat de unit goed gepresteerd heeft ondanks de onderbezetting.
Dhr Elsendoorn antwoordt dat hij in zijn presentatie alleen de beleidsprioriteiten heeft laten zien, dus de keuzes die regionaal gemaakt zijn. Dit betreft echter slechts een deel van het totale aanbod van het werk. Als hij het werk in een breder perspectief zou plaatsen, zou hij moeten zeggen dat de politie de omgeving niet meer zo goed kan bedienen als zes jaar geleden met 30 of 40 personen meer. Ook de politie verzakelijkt en komt niet meer voor elke aanrijding of elke melding en blijft niet meer eindeloos bemiddelen maar verwijst door naar andere hulpverleners. Het is een kwestie van goed kiezen, duidelijk prioriteiten blijven stellen en interne kwaliteitsverbeteringen want in termen van effectiviteit en efficiency kan het nog iets beter.

De onderbezetting heeft te maken met de volgende drie zaken: 1) Het korps vergrijst sterk; 2) De afgelopen jaren is het verloop sterker geweest dan was voorspeld en ook de uitstroom is groter geweest dan verwacht; 3) Het tekort kan niet meer zoals een paar jaar geleden in één jaar worden ingelopen omdat de politie-opleiding drie jaar duurt. Vanaf 2007 zal de instroom weer groter zijn, omdat dan weer grotere groepen van de opleidingsschool komen.
Als hij meer mensen ter beschikking zou hebben, zou hij geen andere accenten leggen. Momenteel doet de politie die zaken die Rozendaal en omgeving van de politie vraagt. Er worden de juiste prioriteiten gesteld. Met meer mensen zou er meer in dezelfde tijd gedaan kunnen worden en zou men dieper kunnen ingaan op de kleine dagelijkse ergernissen waar men nu niet aan toe komt.
De voorzitter dankt de heer Elzendoorn voor zijn toelichting.

 
De heren Elzendoorn en Pols verlaten vervolgens de vergadering.
 
3. Mededelingen / Ingekomen Stukken
Er zijn geen mededelingen en ingekomen stukken.


4. Verslag van de vergadering van 6 december 2005
Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


5. Rondvraag
Dhr Adema vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot Presikhaaf. Omdat er sprake zou zijn van een belangrijke meevaller bij de verkoop van gronden, vraagt hij of dit aanleiding is om gemeenten gedeeltelijk terug te betalen. Dhr Kwant antwoordt dat de opbrengst van de verkoop van gronden in Elden hoger is dan verwacht. Men had verwacht hiervoor € 6 miljoen te krijgen maar het daadwerkelijke bedrag ligt op ruim € 11 miljoen. Waar in het kader van het herstelplan aan de gemeenten € 12 miljoen is gevraagd als voorfinanciering, doet zich de vraag voor wat hiermee te doen. Sommige gemeenten willen het geld graag terugbetaald zien maar anderen zijn van mening dat het geen zin heeft om geld heen en weer te pompen zo lang Presikhaaf in zwaar weer verkeert. De gemeente Arnhem heeft hierover gesproken maar nog geen besluit genomen. De voorzitter van het DB Presikhaaf, die wethouder Economische Zaken van Arnhem is, is van mening dat het geld teruggestort zou moeten worden. Op 1 februari zal het AB hierover spreken..

Dhr Adema begrijpt dat er sprake is van een echte meevaller. Omdat het herstelplan functioneert en werkt, zou het acceptabel zijn om het geld terug te laten vloeien naar de gemeenten. Dhr Kwant antwoordt dat Presikhaaf geen reserves heeft, terwijl deze voor een goede bedrijfsvoering wel nodig zijn om eventuele tegenvallers te kunnen opvangen. De voorzitter meent dat het verstandig is om af te wachten wat andere gemeenten doen. Op zijn voorstel zal het onderwerp in de volgende vergadering opnieuw aan de orde komen.


Niets meer aan de orde zijnde, schorst de voorzitter om 19.45 uur de vergadering.


BLOK WELZIJN, SOCIALE ZAKEN, ONDERWIJS, CULTUUR, RECREATIE EN SPORT


Aanwezig:
 
Commissieleden: 
dhr P.S. Vos, dhr B. Kwant, dhr F.K.P. Lub, dhr E. Molenaar, mw E.C.T. Bisterbosch-Willart, C. van den Hurk
 
Voorzitter: 
dhr H.P. Korstanje
 
Portefeuillehouders:  
mw A.H. Boerma-Van Doorne, mw W.M.J. Brouwer-Duvekot
 
Commissiegriffier: 
mw W.G. Pieterse-Pook
 
Tevens aanwezig:  
dhr J. Wortelboer, onderwijsadviseur TMOP
 

Verslag:  
Buro Service Overasselt, mw M.R.H.M. de Meijer


8. Heropening

De voorzitter heropent de vergadering om 19.50 uur.


9. Mededelingen / Ingekomen stukken
Er zijn geen mededelingen en ingekomen stukken.


10. Bespreking van de eerste bevindingen ten aanzien van de onderwijshuisvesting met de extern adviseur, de heer J. Wortelboer van TMOP
Dhr Wortelboer licht toe aan de hand van het uitgereikte plan van aanpak, dat het goed is een onderscheid te maken tussen enerzijds de schoolbestuurlijke taak en anderzijds de lokale overheidstaak. Welke vorm van schoolbestuurlijke taak men ook zal kiezen - een integraal bestuur, een commissie of een stichting - de verantwoordelijkheid die de gemeente als lokale overheid heeft voor de lokale overheidstaken, blijft onverlet. Zo zijn er de gemeentelijke onderwijs-achterstandsplannen, het uitvoeren van het leerlingenvervoer, het uitoefenen van de leerplichtfunctie en sinds 1997 heeft elke gemeente de verantwoordelijkheid gekregen voor de onderwijshuisvesting. Tot die periode kon een schoolbestuur een aanvraag indienen bij de minister die hiervoor een aantal spelregels had. Afhankelijk van deze spelregels en de mate waarin men hieraan kon voldoen, werd al dan niet nieuwbouw of uitbreiding of vervangende huisvesting toegekend. In het kader van de decentralisatie is deze taak die in de Grondwet verankerd ligt, sinds 1997 overgeheveld naar de gemeenten.

 
Wat het leerlingenaantal betreft ligt er een prognose uit het voorjaar 2003. Volgens de regelgeving in Nederland, neergelegd in de decentralisatiewetgeving Onderwijshuisvesting, gaan prognoses maximaal twee jaar mee. Verder is er in deze prognose uit 2003 van een woningenaantal uitgegaan dat iets hoger werd geraamd dan de werkelijkheid achteraf blijkt te zijn. Er is daarnaast een calculatie gemaakt op basis van leerlingenaantal door de actiegroep Rozendoorn. Al deze berekeningen geven een bepaald beeld over de huidige leerlingensituatie en over de te verwachten leerlingenaantallen die allemaal een bepaalde werkelijkheid hebben. Een prognose die al wat ouder is, geeft op zich een bepaalde tendens. Een berekening zoals die is gemaakt door de actiegroep Rozendoorn, geeft een korte termijn situatie. De systematiek van prognoses is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op een school aanwezig is, de woningvoorraad in het voedingsgebied, de grootte of de engte van het voedingsgebied, het aantal vrouwen dat in een bepaalde wijk woont en daaruit gedestilleerd het aantal vrouwen in haar vruchtbare periode. Dit alles maakt bij elkaar een vorm van voorspelling die in Nederland geaccepteerd is.
 
Als men de discussie wil gaan voeren over de onderwijshuisvesting, is het een goede zaak om in de gemeente Rozendaal een goede uitgangspositie te hebben. Dus een geactualiseerde prognose te laten maken om te kunnen gaan kijken wat men kan verwachten ten aanzien van het leerlingenaantal van de Dorpsschool.
Daarnaast is er de huisvestingssituatie van de Dorpsschool. De Dorpsschool is circa veertig jaar oud en is opgezet vanuit een honingraatmodel dat in de zeventiger jaren van de vorige eeuw een geëigend model was. Het model ging uit van onderwijskundige inzichten van dat moment maar sinds kort zijn ook allerlei nieuwe onderwijskundige situaties, als tussenschoolse opvang en remedial teaching, die ook weer nieuwe eisen stellen aan een gebouw. Sommige gemeenten vinden het van belang om gebouwen lang in stand te houden en andere gemeenten willen schoolgebouwen in stand houden voor de duur van de afschrijvingsperiode om vervolgens een nieuwe school te bouwen die dan weer voldoet aan de eisen van de tijd.
 
Over de bouwkundige situatie van de Dorpsschool kan men zeggen dat het een typisch zeventiger jaren stijl school is. Het plafond heeft weinig isolatie en is derhalve qua exploitatie duur, verder is er sprake van enkel glas, vurenhouten kozijnen en grove betonklinkers. Om duidelijkheid te krijgen is het goed om de staat van het schoolgebouw te laten bekijken door deskundigen. Deze deskundigen kunnen een advies uitbrengen of het verantwoord is ook vanuit de financieringssystematiek en vanuit onderwijskundig oogpunt, om de school te gaan upgraden of iets heel anders te gaan doen.
Als er dan meer zicht is op enerzijds de bouwkundige staat en anderzijds de leerlingenontwikkeling, kan men een doorkijk gaan maken naar de toekomst. Men kan dan inzicht krijgen in de vraag wat men kan verwachten aan ontwikkelingen zowel getalsmatig als bouwkundig voor de schoolsituatie.
Als vooral ook het leerlingenaantal duidelijk is, kan men besluiten tot op welk niveau de gemeente wil gaan investeren. Men kan vaststellen wat het maximum aantal leerlingen is dat eigenlijk toegelaten zou moeten worden tot het instituut. Hierbij is het een moeilijkheid dat Rozendaal één school heeft. De term leerlingenstop is herhaaldelijk ter sprake gekomen. Hoewel mensen van het ministerie hebben gezegd dat een leerlingenstop mogelijk is, heeft spreker zelf vanuit de helpdesk van hetzelfde ministerie gehoord dat dit juist niet mogelijk is. Hoe men het ook wendt of keert, een leerlingenstop op zich hoeft geen doel te zijn. Het doel is om een onderwijsvoorziening te kunnen garanderen die voldoet vanuit het aanbod dat er in de omgeving bestaat. Bij het woord 'omgeving' tekent hij aan dat men niet kan zeggen dat het bij de grenzen van Rozendaal stopt, want men kan niet zeggen dat kinderen die van buiten Rozendaal komen, geen toegang krijgen op de Dorpsschool. De wetgever heeft daar heel duidelijk een stokje voor gestoken.
 
Als dit alles duidelijk is, dan is het goed om dit in een meerjarenperspectief te zetten. Dit is de reden waarom hij voorstelt om een integrale huisvestingsplanning te maken om vanuit die situatie zowel de kwaliteit van het gebouw als de kwantiteit in het meerjarenperspectief te zetten.
Als de integrale huisvestingssituatie duidelijk is, zegt de wetgever dat er op gemeentelijk niveau nadere spelregels moeten worden gesteld die neergelegd moeten worden in een verordening. Het aardige van een verordening is dat er een aantal plafondsituaties in zit. De gemeente krijgt in de algemene uitkering een bepaald bedrag dat bedoeld is voor onderwijshuisvesting. Het is niet een verplichting om het voor onderwijshuisvesting te besteden maar het is een kwestie van beleidskeuzes die de lokale overheid maakt. Binnen de verordening kan men dan een plafond vaststellen met betrekking tot het bedrag dat de gemeente maximaal per jaar zal besteden aan onderwijs.
 
Vanuit dit betoog dat het juist een doelstelling op zich is om onderwijs te kunnen aanbieden in een adequaat gebouw voor een genoegzaam aantal leerlingen, is het een oplossing om niet alleen te kijken naar leerlingenstops of andere oplossingen maar vooral naar de communicatie met het schoolbestuur en de gemeente Rheden. Het heeft immers ongetwijfeld consequenties dat kinderen uit Rheden naar Rozendaal komen om de school te bezoeken. Het is goed om vanuit een structurele situatie regelmatig overleg te voeren zowel met de nabuurgemeente Rheden als met het schoolbestuur van OOR om te kijken of er een vorm van spreidingsbeleid ontwikkeld kan worden.
Het aan de raad en commissie verschafte tijdpad geeft aan dat er half of eind april meer duidelijkheid kan zijn verkregen na gesprekken te hebben gevoerd met deze en gene, na nog meer onderzoek te hebben verricht en na wat meer geobjectiveerde informatie te hebben verzameld. Afhankelijk van wat zich dan voordoet, zal er een aantal keuzemogelijkheden zijn. Een aantal modellen zal vervolgens nader uitgewerkt kunnen worden zodat de gemeenteraad rond de zomervakantie een aantal voorstellen voorgeschoteld kan krijgen. De raad zal dan nog geen definitieve keuze te hoeven maken maar heeft dan de mogelijkheid om in overleg met alle belanghebbenden de richting te bepalen.


Inspraakreacties
De voorzitter geeft de publieke tribune de gelegenheid in te spreken

 
Inspreker: dhr Phaff, burger van Rozendaal, lid van de werkgroep Rozendoorn
Dhr Phaff zegt dat de werkgroep in tegenstelling tot hetgeen verwoord staat onder punt 3a Leerlingenaantal van de startnotitie, geen berekening heeft gemaakt maar uitsluitend heeft geteld hoeveel leerlingen er op school zitten aan de hand van het schoolboekje. Deze telling heeft geleid tot het  aantal dat in het stuk van de werkgroep staat. Er is hierbij geen sprake geweest van voorspellen maar wel is er misleidende statistiek gepleegd. De werkgroep heeft bewust niet vermeld dat er altijd aanwas is van vierjarigen in groep 1, omdat men ervan uitging dat er een leerlingenstop zou worden ingesteld.
Met betrekking tot punt b Huisvesting leerlingen Dorpsschool staat er in de tweede alinea van de startnotitie vermeld dat er tot augustus 2007 dan ook geen formele noodzaak is om het leerlingenaantal te reguleren. Hij hoopt dat de crux van de opmerking zit in het woordje 'formeel'. Immers, als er geen grens wordt gesteld aan het leerlingenaantal en de natuurlijke aanwas in groep 1 verder gaat zoals die ieder jaar verder gaat, zadelt het lokale bestuur zichzelf op met een groot probleem dat zich de komende jaren zal voortzetten, namelijk een groep 1 die zo groot is dat er twee lokalen mee gevuld gaan worden. Redelijkerwijs kan men verwachten dat dit niet gerealiseerd kan worden op de huidige locatie. Hij adviseert de lokale overheid het zichzelf zodanig gerieflijk te maken dat de tijd is er om het tijdpad te doorlopen, het aantal leerlingen te maximeren op het huidige aantal en geen verdere groei toe te staan.
 
Inspreker: voorzitter medezeggenschapsraad Dorpsschool
De huisvestingsproblematiek van de Dorpsschool is een langslepende kwestie die langzaam maar zeker heel acuut gaat worden. In augustus 2007 zal de huisvesting van het Rhedens niet meer beschikbaar zijn voor de drie groepen die er thans zitten.
De staat van onderhoud van de huidige school loopt achter. Jaarlijks stelt het rijk een bedrag van
€ 130.000,- beschikbaar voor huisvesting dat echter niet geoormerkt wordt om daadwerkelijk te bestemmen voor huisvesting. Hij vraagt welk beleid de gemeente Rozendaal voert ten aanzien van  deze huisvestingsgelden, wat ermee gebeurd is en wat de visie is op de huisvesting van de Dorpsschool. De medezeggenschapsraad wil een school in voldoende staat van onderhoud op één locatie. Deze situatie is veruit te prefereren boven huisvesting op meerdere locaties. In deze dringt de medezeggenschapsraad dan ook aan op een structureel besluit op zo kort mogelijke termijn omdat augustus 2007 nadert.
 
De medezeggenschapsraad is uitdrukkelijk tegen een leerlingenstop van 200, zeker als deze gebaseerd zou zijn op postcode, en staat achter het voorstel van dhr Wortelboer dat een juiste prognose gemaakt moet worden omdat de huidige getallen niet als maatgevend beschouwd mogen worden. De medezeggenschapsraad staat achter het voorstel van dhr Wortelboer om op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te verschaffen en vraagt de raad om dit voorstel te ondersteunen en zich te houden aan de consequenties. Dat wil zeggen dat de uitslag van de prognose, wat deze ook mag zijn, wordt geaccepteerd als een juiste prognose. Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de staat van onderhoud. Op die manier kan op zo kort mogelijke termijn een structureel besluit komt die leidt tot een school in voldoende staat van onderhoud op één locatie in Rozendaal, welke locatie dan ook.


a. Leerlingenaantal Dorpsschool Rozendaal
Mw Bisterbosch stelt dat het rapport een keurige procesbeschrijving is waarin het mogelijke tijdpad wordt beschreven maar wel enige substantie mist. Al het inhoudelijke werk moet nog plaatsvinden. Haar fractie staat enigszins argwanend tegenover prognoses omdat de uitkomst erg afhankelijk is van wat er is ingevoerd. De vraag is dus ook of men bij de uit te voeren prognose zal uitgaan van standaardgegevens of andere gegevens; of men bij het aantal woningen zal uitgaan van 634 en niet het hogere aantal; of het percentage kinderen dat uit de kern Velp komt, bekend is; of het alleen gaat om kinderen uit de kern Velp; of men in de prognose meeneemt dat er jaarlijks 25 woningen in Velp bijkomen en wat voor woningen dit zijn en of dit daadwerkelijk invloed zal hebben. Zijzelf is de mening toegedaan dat het percentage kinderen dat uit Velp naar de Dorpsschool gaat, een grotere invloed heeft dan de 25 woningen meer of minder. Verder is er een verschil in instroom en uitstroom want de hogere klassen hebben te maken met een jaarlijkse instroom van 25 leerlingen, waardoor er jaren zullen zijn dat de uitstroom groter zal zijn dan de instroom. De BGR blijft erbij dat een prognose wellicht zinnig kan zijn maar het blijft gokken. De BGR blijft van mening dat de school niet moet uitkomen boven het aantal van 8 klassen van 25 leerlingen.
Dhr Van den Hurk merkt op dat men eindeloos kan blijven studeren en dan uitkomt op vijf of tien leerlingen meer of minder. Het is de vraag hoe relevant dit alles is want andere parameters werken veel meer door in het feitelijke leerlingenaantal. Rosendael '74 vraagt zich derhalve af of het zinvol is om tijd en geld te spenderen aan een prognose naar het leerlingenaantal. Met alle onzekerheden waar men mee te maken heeft, is het maar zeer de vraag wat er daadwerkelijk onderzocht kan worden. De benadering van de werkgroep Rozendoorn, gewoon tellen, is in ieder geval veel praktischer.
Het doet er niet veel meer toe of het aantal in een prognose nou uitkomt op 240, 250 of 255.

 
Dhr Kwant sluit zich aan bij het standpunt van dhr Van den Hurk. Omdat de verschillen met een prognose niet substantieel veel groter of kleiner zullen zijn, is het PAK van oordeel dat een onderzoek niet gerechtvaardigd is. Een onderzoek vergt ook weer enige tijd en geld.
De voorzitter merkt op dat een prognose maar twee jaar geldig is. Als de raad een besluit gaat nemen over de school, ontkomt men er niet aan dat dit onderbouwd moet zijn met een prognose, ook al kan deze prognose vrij simpel zijn.
Dhr Wortelboer antwoordt dat een prognose slechts twee jaar geldig is omdat bevolkingsgegevens fluctueren. Uiteraard is het zo dat er uit een prognose komt wat men ingevoerd heeft maar het grootste aantal zaken dat ingevoerd wordt, betreft plannen die al vastgesteld zijn, bijvoorbeeld het aantal woningen dat zal worden gebouwd. Het feit dat men nu zegt dat dit niet klopt, is precies de reden waarom het juist wel van belang is om periodiek de prognoses opnieuw te laten maken. Dit is niet zozeer belangrijk om bij te stellen of om de werkelijkheid boven tafel te krijgen, maar om een actuele stand van zaken te kennen. Een prognose kost tijd en geld, maar waarschijnlijk niet meer dan € 1000,-.
 
Mw Bisterbosch vraagt of een prognose door een bureau moet gebeuren om formeel goedgekeurd te worden of dat de gemeente ook de zaken op een rij kan zetten. Dhr Wortelboer antwoordt dat het maken van een prognose een specifieke deskundigheid van demografen is. Het gaat niet om het invoeren van gegevens in een Excel programma.
De voorzitter vraagt de commissie om zich uit te spreken over een advies aan de raad over het al dan niet laten uitvoeren van een prognose.
De commissie adviseert om geen nieuwe prognose laten maken en uit te gaan van een leerlingenaantal van 250.
 
b. Huisvesting leerlingen Dorpsschool
Burgemeester Boerma deelt mee dat het college de opdracht voor een onderzoek naar de huisvesting heeft gegeven conform het verzoek van de raad. Dhr Vos heeft uit het plan van aanpak begrepen dat er in week 4 meer duidelijkheid over gegeven zou worden. Burgemeester Boerma antwoordt dat het onderzoek loopt.
 
c. Maximaal aantal leerlingen
Dhr Vos vraagt of het daadwerkelijk zo is dat "Als het schoolbestuur een stop invoert, er een alternatief dient te zijn". Dhr Wortelboer antwoordt dat dit de informatie is die hij van de helpdesk van het ministerie heeft gekregen. Hij citeert uit de informatie van het ministerie: "In eerste instantie is het een taak van de gemeente om te voorzien in voldoende uitbreiding van de opvangcapaciteit en daarmee de huisvesting. De gemeente heeft immers een grondwettelijke taak om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. Als er maar één openbare school gevestigd is, en uit de instroom ook van buiten de gemeente blijkt dat de capaciteit van huisvesting onvoldoende is, dient er te worden voorzien in een uitbreiding. Het weigeren van leerlingen van buiten de gemeentegrens op de grondslag dat er sprake is van een vol-is-vol situatie, is strijdig met de vrijheid c.q. vrije toelating tot van het onderwijs. Naar mijn oordeel kan en mag de gemeente geen beperkende maatregelen nemen in die zin dat alleen leerlingen afkomstig van het postcodegebied binnen de gemeentegrenzen op de school worden toegelaten. Ingevolge de jurisprudentie op dit punt, artikel 40 Wet Primair Onderwijs, wordt  duidelijk gemaakt dat het weigeren van een leerling wegens een beperkte huisvestingscapaciteit in één geval toelaatbaar werd geacht maar dit kon alleen onder de conditie en constatering "dat beide leerlingen in elk geval in staat zijn in het desbetreffende stadsdeel [Dhr Wortelboer: Lees de gemeente] een andere openbare basisschool te bezoeken" (Raad van State, 3 november 1999). Dit betekent dat, wil een gemeente leerlingen kunnen weigeren op een openbare school, er op zijn minst één alternatieve openbare basisschool voorhanden moet zijn die deze leerling dan wel kan opvangen. Het voorgaande betekent dan ook dat de gemeente een oplossing in de huisvestingssituatie dient te creëren om aldus te voorzien in voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen.
 
Wat wellicht nog een oplossing zou kunnen bieden is dat de gemeente met de omliggende gemeenten van waar de ingestroomde leerlingen vandaan komen, probeert af te spreken dat die gemeenten meer aan innerlijke werving doen om ervoor te zorgen dat die kinderen openbaar onderwijs in de eigen gemeente gaan volgen. Er is uiteraard geen garantie dat grensoverschrijdend openbaar schoolbezoek wordt tegengegaan, maar het kan de moeite van het proberen waard zijn. Uiteraard zal het afhangen van de lokale situatie."
Dhr Vos vindt dit laatste een belangrijke toevoeging. Rozendaal met één openbare school lijkt hem toch wel een heel bijzondere positie in te nemen die moeilijk te vergelijken is met een deelgemeente van Amsterdam. Dhr Wortelboer antwoordt dat dit ook tegelijkertijd de beperking aangeeft. Een gemeente moet te allen tijde voorzien in voldoende onderwijshuisvesting.
Dhr Van den Hurk merkt op dat de discussie al is gevoerd met ambtenaren van het ministerie en dat daaruit een andere visie naar voren is gekomen. Het is niet zinvol de discussie opnieuw te voeren.
Dhr Kwant stelt dat er sprake is van tegenstrijdige informatie. Hij stelt voor om het ministerie met de twee tegenstrijdige meningen te confronteren want er moet definitief helderheid komen.
 
Mw Bisterbosch zegt dat de vertegenwoordigers van het ministerie hebben aangegeven dat er een wachtlijst mag zijn die echter wel moet gelden voor kinderen van binnen én van buiten Rozendaal.
De voorzitter stelt voor om eerst zekerheid te verkrijgen over wat de juiste informatie op dit punt is.
Dhr Van den Hurk antwoordt niet meer tijd en niet meer zekerheid nodig te hebben. Er dienen nu besluiten te worden genomen. Dhr Vos kan zich niet voorstellen dat de situatie anders zou zijn dan de eerdere toezegging. Het zou niet redelijk zijn dat Rozendaal zou moeten voorzien in basisschoolonderwijs voor vele honderden leerlingen meer dan zijzelf binnen de gemeentegrenzen heeft. Mw Bisterbosch is het met hem eens.
Een opmerking vanaf de publieke tribune: Ik heb het idee dat alles wat niet uitkomt, terzijde wordt. geschoven. Het laten uitvoeren van een prognose: Dit komt niet helemaal uit dus dat wordt niet gedaan. Twee tegenstrijdige meningen vanuit het ministerie: Men neemt niet de moeite om te verifiëren wat waar is, want het komt niet uit. De kwestie dient zorgvuldig en zuiver aangepakt te worden.
Dhr Kwant stelt voor het ministerie om een finale uitspraak te vragen. Er zal toch iemand de gewenste helderheid moeten geven. Mw Bisterbosch sluit zich aan bij dhr Kwant. Er dient duidelijkheid te komen. Dhr Van den Hurk merkt op dat Rosendael '74 deze duidelijkheid al heeft.
De commissie adviseert de raad om de e-mail van de helpdesk van het ministerie voor te leggen aan dhr Damen van het ministerie met het verzoek hierop een definitief en afdoend antwoord te geven.
 
d. Integrale huisvestingsplanning
Het onderwerp is vooralsnog niet aan de orde.
 
e. Verordening Onderwijshuisvesting
De commissie adviseert positief.
 
Communicatie
De commissie adviseert positief.
 
Het tijdpad
Dhr Van den Hurk gaat ermee akkoord als het haalbaar is. De voorzitter meent dat alles op alles gezet moet worden om het tijdpad wel te halen omdat daarna nog slechts een jaar rest voordat de problemen acuut worden.
 
Vragen en opmerkingen van de publieke tribune:
De voorzitter van de medezeggenschapsraad vraagt wat er de afgelopen jaren is gebeurd met de gelden die het rijk beschikbaar heeft gesteld voor de onderwijshuisvesting. De voorzitter antwoordt dat de gelden niet geoormerkt zijn. In het totaal van de uitkering uit het Gemeentefonds zit een gedeelte dat aangewend kan worden voor de huisvesting van scholen, maar het exacte bedrag staat daar niet bij aangegeven.
Dhr Schmidt meent dat het relevant zou zijn te kijken wat het juridisch gehalte is van de uitspraken die de twee vertegenwoordigers van het ministerie destijds gedaan hebben.
 
De voorzitter van de medezeggenschapsraad vraagt of de raad onderschrijft dat de school zo snel mogelijk, liefst voor augustus 2007, op één locatie moet komen. De voorzitter antwoordt dat hij dat de raad niet heeft horen zeggen en daar vanavond geen antwoord op zal komen.
Dhr Kühne vraagt of er al concrete stappen zijn gezet richting Rheden of een andere gemeente om het probleem op te lossen. Burgemeester Boerma antwoordt dat er altijd regulier overleg plaatsvindt over actuele zaken. Rozendaal werkt intensief samen met het OOR. Het probleem is aan de orde geweest zonder dat er een uitgangspunt is bepaald omdat niet duidelijk was welke richting de discussie zou uitgaan.
Dhr Boon merkt met betrekking tot het al dan niet invoeren van een leerlingenstop dat het een kwestie blijft van invullen van wettelijke regelingen. Het betekent toch dat als het departement met een standpunt komt en ouders zich er niet bij neerleggen en via de bestuursrechter naar de Raad van State gaan, het daar pas definitief tot een uitspraak komt. De raad zal toch eerst zelf tot een bepaald standpunt moeten komen. De voorzitter is het met hem eens maar vooraf zullen alle opties bekend moeten zijn en verkend moeten worden. Mw Van Raalte is het met dhr Boon eens. Echter, zelfs al zou de hoogste rechter zeggen dat betrokkene recht heeft om toegelaten te worden, kan het alsnog zo zijn dat een betrokkene niet toegelaten wordt omdat er geen plaats is.
Dhr Wortelboer zou het betreuren als de raad zou besluiten de prognose naast zich neer te leggen en uit te gaan van een bepaald getal, terwijl er in Nederland sprake is van een bepaalde systematiek om zicht te krijgen op de actuele cijfers. Het document zal op drijfzand terecht komen waar het de integrale huisvestingsplanning en de reële ontwikkeling op langere termijn betreft. Men kan dan wel uitgaan van 250 leerlingen maar het zegt niets over het aantal leerlingen over vijf jaar. Het is jammer als men niet de moeite zou nemen om op de langere termijn wat meer tendensen duidelijk te krijgen.
 
Dhr Van der Torren merkt op dat de cijfers over de bevolkingssamenstelling van Rozendaal, de leeftijden van de inwoners e.d. exact bekend zijn. Het bestuur kan daar gemakkelijk een prognose op maken. Wat overblijft is wat betrekking heeft op leerlingen die niet uit Rozendaal komen maar uit Velp en Arnhem komen. Hij vraagt hoe een bureau in een gemeente als Rheden met zeven dorpen, een dorp Velp met vijf of zeven basisscholen, in een prognose kan aangeven welk gedeelte van die kinderen naar Rozendaal op school gaan, als dit geen ervaringsgetallen zijn die al bekend zijn. Dhr Wortelboer antwoordt dat hij geen demograaf is en de prognose niet zal opstellen. Hij heeft begrepen dat er bij het opstellen van een prognose zal worden gekeken naar de huidige situatie vanuit de historie en vanuit een vorm van extrapolatie en de plannen die gemeentebesturen hebben gemaakt en die een doorkijk maken naar de toekomst. Dhr Van der Torren concludeert dat men dus ook zelf een prognose kan maken.
De voorzitter vat samen dat de commissie geen behoefte blijkt te hebben aan extra informatie op dit punt. Hij sluit het onderwerp af.


10. Verslag van de vergadering van 6 december 2005
Het verslag wordt ongewijzigd onder dankzegging aan de notulist vastgesteld.


12. Bespreking agendapunten raadsvergadering d.d. 1 februari 2006
Agendapunt 5: Voorstel inzake de Algemene Subsidieverordening 2006

 
Dhr Kwant is blij dat er geen inspraakreacties zijn geweest in die zin dat er op basis daarvan wijzigingen zouden moeten worden aangebracht. De Algemene wet bestuursrecht legt de gemeente deze procedure dwingend op en het PAK ondersteunt het voorstel.
Dhr Lub verklaart dat ook Rosendael '74 het voorstel ondersteunt. De fractie heeft de vorige vergadering gevraagd om een evaluatie die ook is toegezegd.
Mw Bisterbosch sluit zich namens de BGR aan bij de vorige sprekers.
 
De commissie adviseert positief.

Agendapunt 6: Voorstel tot het vaststellen van de geactualiseerde Gemeenschappelijke regelingen Onderwijsverzorging en Volwasseneneducatie
Dhr Kwant stelt dat de reden van de actualisatie te maken heeft met het uittreden van de gemeente Zevenaar. Hij vraagt waarom Zevenaar dit besluit heeft genomen. Wethouder Brouwer antwoordt dat Zevenaar zich heeft aangesloten bij een gemeenschappelijke regeling met Doetinchem en omstreken.
 
De commissie adviseert positief.


13. Rondvraag
Dhr Kwant vraagt naar de stand van zaken omtrent het sportpark De Del. Wethouder Mandema antwoordt dat het kort geding dat gepland stond voor 13 december, geen doorgang heeft gevonden. Dhr Schaap voegt eraan toe dat de gemeente Arnhem en de voetbalclub in gezamenlijk overleg zouden bekijken of zij tot een minnelijke schikking konden komen. Van een vervolg van een kort geding is in Rozendaal niets bekend. De gemeente Arnhem heeft Rozendaal gevraagd om een vergoeding voor de opstallen. De reactie van Rozendaal die in overleg met de advocaat van de gemeente is opgesteld, is dat men vindt dat de gemeente geen vergoeding voor de opstallen verschuldigd is.

 
Dhr Kwant zegt dat er landelijk een discussie heeft plaatsgevonden over het extra belonen van de minima. Uiteindelijk komt dit neer op een bedrag van € 35 miljoen uitgekomen, te verdelen over het hele land. De gemeente Arnhem heeft besloten om € 65,- extra bij te leggen bij elk uit te keren bedrag. Hij vraagt welke mogelijkheden er in Rozendaal zijn voor de minima. Wethouder Brouwer antwoordt dat het college sympathiek staat tegenover het ondersteunen van de minima. Er is contact geweest met Rheden met de bedoeling eenzelfde regeling te treffen als Rheden. De volgende raadsvergadering zal hierover meer duidelijkheid zijn. Er is ook overleg met de cliëntenraad.


14. Sluiting
Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter om 21.00 uur de vergadering.

 


Uitgelicht


Zoeken